In 2010 vond in de Sparrenlaan een heus feest plaats ter ere van het 75-jarige bestaan van KSA Schoten. De driekwart eeuw die aan dit 15de lustrum voorafgingen, zijn voor velen onbekend, daarom kan je hier terecht voor een overzicht van de rijke geschiedenis van onze jeugdbeweging.
De wortels van wat nu KSJ-KSA-VKSJ is geworden, liggen veel verder dan 1928, zelfs bijna een eeuw vroeger. We keren terug naar het prille België van 1830. Toen was de officiële taal het Frans, ook in het onderwijs. Maar in het uitgebreide katholieke net besteedden de priester-leraars ook aandacht aan de volkstaal, het Nederlands. De leerlingen in de colleges werden immers gestimuleerd voor het priesterschap en voor het contact met de gelovigen was kennis van de volkstaal noodzakelijk. Veel priester-leraars waren bovendien Vlaamsgezind. Zij stimuleerden de beoefening van de volkstaal, bijv. Jan-Baptist David (naar wie het Davidsfonds is genoemd) en Guido Gezelle. Onder impuls van David werd aan de universiteit van Leuven in 1836 een eerste katholieke Vlaamse studentengilde opgericht: "Met Tijd en Vlijt". De leden hielden zich bezig met de literaire beoefening van de moedertaal, maar waren wel Belgisch gezind.
Deze gilde had veel contacten met priester-leraars in de plaatselijke colleges en bouwde zo een bloeiend netwerk op. In de volgende decennia ontwikkelden zich aan verschillende colleges studiekringen. Hier kwamen de leerlingen buiten de lesuren samen en bestudeerden werken van Vlaamse letterkundigen en verheerlijkten het grootse Vlaamse verleden, zoals dat in de romantische tijdsgeest paste. Priester-leraars verleenden hun medewerking en gaven de werking vaak een strijdbaar-katholiek karakter.
Vanaf de jaren 1870 nam het aantal studentengilden binnen de colleges sterk toe. Dit gebeurde tegen de achtergrond van de scherpe tegenstelling tussen katholieken en liberalen. In Italië hadden de onafhankelijkheidsstrijders inmiddels de Pauselijke Staten veroverd, ondanks de inzet van een leger van vrijwilligers, die "Zoeaven" werden genoemd. Veel Vlamingen hadden meegestreden in dit zoeavenleger. Tevergeefs, want de paus verloor uiteindelijk zijn wereldlijke macht. Ook in België laaiden de tegenstellingen fel op met als hoogtepunt de Schoolstrijd (1879-1884). In dit tijdsklimaat vervlochten de Vlaamsgezinde studenten flamingantisme, religieus en sociaal engagement probleemloos met elkaar. Ze zagen zichzelf graag als romantische "strijders" voor het Vlaamse volk, naar het voorbeeld van hun middeleeuwse helden.
Hugo Verriest, oud-leerling van Guido Gezelle, gaf les aan het Klein-Seminarie van Roeselare. Hij begeesterde zijn leerlingen met zijn pleidooi voor een katholieke Vlaamse beweging. Geïnspireerd door Consciences roman Kerels van Vlaanderen raakten de Roeselaarse leerlingen in de ban van de kerelsromantiek. De Kerels waren vrije boeren die streden tegen de verachtelijke Isegrims, maar uiteindelijk aan het kortste eind trokken. Albrecht Rodenbach, student aan het college, verheerlijkte hen in zijn Kerelsliederen. Hieruit kwam de leuze: "Vliegt de Blauwvoet! Storm op zee!" Vandaar kreeg deze beweging de naam blauwvoeterij. Deze Vlaamsgezindheid werd door de kerkelijke overheid echter niet altijd geapprecieerd. Het kwam uiteindelijk tot een conflict tussen studenten en schooloverheid dat de geschiedenis zal ingaan als "De Groote Storinghe".
Ondertussen hadden de Roeselaarse oud-leerlingen Amaat Vyncke en Zeger Malfait het tijdschrift De Vlaamsche Vlagge boven de doopvont gehouden. Dit predikte een anti-liberalisme en kwam op voor de Vlaamse volkstaal. Dit tijdschrift kan beschouwd worden als een eerste stap naar een georganiseerde studentenbeweging. Het tijdschrift werd een spreekbuis van de studentenbeweging die in heel Vlaanderen tot ontwikkeling kwam. Er kwamen immers ook brieven bij de redactie van studenten uit andere bisdommen. Uit die contacten begon het idee van een overkoepelende studentenbeweging te rijpen. De Algemene Studentenbond werd in 1877 opgericht. De stichters en leidende figuren waren Albrecht Rodenbach, Pol De Mont uit het Klein Seminarie van Mechelen en Amaat Joos uit het Klein Seminarie van Sint-Niklaas. Rodenbach werd tot algemeen voorzitter verkozen en zou vanaf dan op de voorgrond treden als groot bezieler van de overkoepelende studentenbeweging. Hij zette de grote lijnen uit die de katholieke studentenbeweging nog lang na hem zou blijven volgen. Hij propageerde een romantisch getint Vlaams bewustzijn. Centraal hierin stond de boodschap van Gezelle en Verriest “Wees Vlaming dien God Vlaming schiep”: de scholieren dienden gevormd te worden tot authentieke - en dus katholieke - Vlamingen die in de Vlaamse strijd hun verantwoordelijkheid zouden opnemen.
Tegenwerking van de kerkelijke overheid, onenigheid en provinciale tegenstellingen bespoedigden echter de teloorgang van deze eerste overkoepeling. Rodenbachs vroegtijdige dood in 1880 gaf de genadeslag. Onder meer door die vroegtijdige dood zou de "wonderknape" Rodenbach een mythische figuur worden naar wie later vaak werd verwezen.
Na Rodenbachs dood was de studentenbeweging niet geheel verloren. De West-Vlaamse werking was wel het zwijgen opgelegd door de bisschop, maar Antwerpen en Mechelen traden nu op de voorgrond. Het tijdschrift De Student werd in Mechelen opgericht en nam de centraliserende rol van De Vlaamsche Vlagge over. Het voornaamste doel was nu de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs. In 1890 bundelde de studentenbeweging voor een tweede maal de krachten met de oprichting van het Katholiek Vlaams Studentenverbond. Het waren echter geen studenten, maar volksvertegenwoordiger Joris Helleputte, arts August Laporta en advocaat Hector Lebon die de touwtjes in handen hielden. Het Studentenverbond werkte nauw samen met de Vlaamse Katholieke Landsbond, een volwassenenbeweging, die door de studenten als hun grote broer gezien werd. Samen ijverden ze voor "de terugkeer van het volk naar een katholiek Vlaanderen". Weerom zorgden conflicten met de kerkelijke overheid ervoor dat dit initiatief geen lang leven beschoren was.
Omstreeks 1900 was er een sterke toename van het aantal studentengilden. Een gunstig klimaat om voor de derde maal een overkoepeling op te starten. Na verschillende bijeenkomsten in Leuven werd in juni 1903 het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS) gesticht. De stichtingslanddag werd op 30 augustus 1903 in Sint-Niklaas gehouden. De beweging streefde de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs na. Maar de centrale doelstelling was de vorming en ontplooiing van de eigen leden met het oog op de rol die zij "later" zouden vervullen in de maatschappij. De latere politicus Frans Van Cauwelaert heeft hier als voorzitter zijn stempel op gedrukt.
Waren de verhoudingen met de kerkelijke overheid aanvankelijk gunstig, de koerswijziging naar het Vlaams-nationalisme en later zelfs anti-Belgicisme van de Leuvense AKVS-top was de bisschoppen een doorn in het oog. En ook aan het feit dat een groepering van jongeren het waagde zich aan het gezag van de bisschoppelijke overheid te onttrekken, ergerde men zich mateloos. Maar zelfs binnen de beweging leidde de Vlaams-nationalistische opstelling tot veel protest. De AKVS-leiding slaagde er met een intensieve propagandacampagne echter in de bonden voor het Vlaams-nationalisme te winnen.
De eerste bisschoppelijke reactie kwam vanuit Luik (Limburg hoorde toen bij het bisdom Luik). In 1925 scheurt bisschop Martinus Rutten de Limburgse AKVS-bonden los van het hoofdbestuur in Leuven en plaatst Gerard Philips als gouwproost aan de leiding. Hiermee was hij de oprichting van KSA voor. De volgende jaren zouden de bisschoppen ieder voor zich maatregelen uitvaardigen tegen het AKVS. Hun wapen zou de Katholieke actie (KA) worden.
De Katholieke Actie was een sterk door paus Pius XI (Achille Ratti, 1922-1939) gepropageerde apostolische herkersteningsbeweging. Ze wilde de Kerk ombouwen tot een leger gericht op de “verovering” van de wereld. Paus en bisschoppen waren hierin de leiders, de priesters de officieren, de leken - in het bijzonder de jongeren - de “milites Christi” (soldaten van Christus), die moesten ingezet worden “ter verovering” om terrein terug te winnen op de voortschrijdende secularisering en Christus overal als “Christus Koning” te doen “heersen”. De katholieke leken werden dus opgeroepen actief mee te werken met de clerus in de strijd van de Kerk tegen haar moderne vijanden onder de leuze “omnia instaurare in Christo” (alles herstellen in Christus). Ook Vlaanderen moest “heroverd worden voor Christus”.
In België kreeg de Katholieke Actie echter eerst voet aan de grond in Wallonië. Daar kende de Association Catholique de la Jeunesse Belge (ACJB) veel succes. Haar landdagen trokken telkens tienduizenden jongeren. Jaloers op dit succes wilden de bisschoppen ook in Vlaanderen een netwerk van jeugdbewegingen opbouwen. Op 11 april 1928 werd het Jeugdverbond voor Katholieke Actie (JVKA) officieel gesticht. Nationaal proost was Karel Cruysberghs. Op vraag van Jozef Cardijn, die reeds de KAJ (Katholieke Arbeidersjeugd) had gesticht, werd het JVKA geen echte ledenbeweging, maar een overkoepeling van verschillende bewegingen die hun leden per stand groepeerden: KAJ voor arbeidersjeugd, BJB (later KLJ) voor de boerenjeugd en KBMJ voor middenstandsjeugd. Ook collegestudenten moesten meedoen met de Katholieke Actie. Maar zij hadden al een organisatie: het AKVS. En het AKVS wou haar Vlaams-nationalistische standpunten niet laten varen. Inschakeling in het JVKA zou ook de bewegingsvrijheid van de beweging beperken. Het conflict met het AKVS escaleerde verder. Hieruit zou een nieuwe organisatie groeien: de Katholieke Studentenactie (KSA). De Katholieke Actie vormde voor de kerkelijke overheid dus een welkom alternatief voor het rebelse AKVS. Zo kon Cruysberghs op 8 juni 1928 de studentenbonden oproepen zich rechtstreeks bij de nieuw benoemde diocesane proosten voor de Katholieke Studentenactie in te schrijven: Leopold Vaes voor het aartsbisdom, Gerard Philips voor Limburg, Felix Vercruyssen voor het bisdom Gent en Karel Dubois voor het bisdom Brugge.
Van bij het ontstaan van KSA volgden de bisschoppen twee verschillende strategieën.
In West-Vlaanderen was priester-leraar Karel Dubois in 1928 aangesteld om naast de AKVS-bonden, nieuwe, zuiver kerkelijk-strijdende kernen op te richten in de colleges. De Vlaamse werking bleef bij het AKVS. Vanaf 1933 begon Dubois duidelijk stelling te nemen tegen de oude AKVS-bonden. In deze harde confrontatie tussen KSA en AKVS moest die laatste al vlug het onderspit delven. Ook in het aartsbisdom werd na lang aarzelen voor deze koers gekozen. Aartsbisschop Van Roey nam immers geen maatregelen tegen het AKVS, waardoor die organisatie in Antwerpen en Brabant het langst stand kon houden. Pas in 1932 belastte hij Leopold Vaes en Constant Lindemans om de KSA uit te bouwen in gouw Antwerpen en in de gouw Brabant.
De tweede strategie werd al in 1925 in Limburg toegepast. Bisschop Martinus Rutten had de studentenbonden verplicht zich los te maken van de Leuvense top. Het Limburgs Katholiek Vlaams Studentenverbond zou o.l.v. proost Gerard Philips de Limburgse KSA worden. De Oost-Vlaamse bisschop Coppieters koos voor de Limburgse oplossing. Hij gelastte zijn "studentenproost" Felix Vercruyssen in 1928 de bestaande AKVS-bonden zoveel mogelijk te sparen en ze los te rukken van de AKVS-leiding in Leuven. Op die manier hoopte hij de "aloude bisschoppelijke studentenbeweging", die zowel kerkelijk-strijdend als Vlaamsgezind was, in ere te herstellen. Een heleboel bonden maakte zo de overstap naar het JVKA. Waar de studentenbonden trouw bleven aan het AKVS, werd een nieuwe JVKA-studentengilde opgericht, die uiteraard werd gesteund door de kerkelijke en door de collegeoverheid. In bonden die aansloten bij het JVKA gingen de AKVS-getrouwen vaak ondergronds. Soms poogden ze het roer over te nemen en de bond terug bij het AKVS aan te sluiten. Maar KSA zou uiteindelijk het pleit winnen.
In tegenstelling tot KSA heeft VKSJ geen wortels in een oude Katholieke Vlaamse studentinnenbeweging. Haar oorsprong ligt in de burgerlijke katholieke vrouwen- en meisjeskringen die in 1922 gebundeld werden in het tweetalig Verbond van Belgische Katholieke Vrouwen (VBKV). Binnen dat verbond ontstond een jeugdafdeling VBKVJ. Vanaf 1923 werd die door Christine de Hemptinne geleid vanuit Gent.
De KA gaf de VBKVJ-afdelingen een belangrijke duw in de rug. Als tegenhanger van het JVKA ontstond het Vrouwelijk Jeugdverbond voor Katholieke Actie (VJVKA). Zoals het JVKA werd het opgedeeld in verschillende standenorganisaties. In de beginperiode bleven er nauwe banden bestaan tussen de VKSJ en de Vrouwelijke Katholieke Burgersjeugd (VKBJ).
VKSJ was meer op nationale leest geschoeid dan KSA. De nationale proost was vanaf de stichting Frans Tibbaut. De eerste nationale leidster was Alice Van Kersschaever (van 1928 tot 1946). De eerste afdeling werd gesticht in de normaalschool van Gijzegem op 4 maart 1930.
In de oude studentengilden waren wel sporadisch jeugdbewegingsactiviteiten aanwezig (tochten, spel, ...), maar in hoofdzaak bleven het toch studie- of toneelkringen. Vanaf de jaren '30 deden meer jeugdbewegingselementen hun intrede. Jongere leden sluiten aan en er komt stilaan een indeling in leeftijdscategorieën: de knapen-/klaroenerwerking ontstaat zo. Vooral de Duitse katholieke bewegingen als Wandervögel en Neudeutschland, maar ook de scouts oefenen een grote invloed uit. KSA Oost-Vlaanderen werkt de jeugdbewegingsmethodiek als eerste uit in 1937 met het Guldensporenprogramma en noemt zich vanaf dan Jong-Vlaanderen.
Deze nieuwe methodiek wordt ook overgenomen door de andere KSA-gouwen en leidt tot een beperkte samenwerking: in 1943 wordt de Interdiocesane Federatie KSA-Jong-Vlaanderen gesticht.
In 1942 worden de roodkapjes gesticht. Deze beweging richtte zich op meisjes tussen 8 en 11 jaar. Later werden de roodkapjes als afdeling opgenomen in de VKSJ. Hiermee sloeg ook VKSJ de weg van de jeugdbeweging in.
Lange tijd waren colleges vooral bevolkt door internen, die enkel in de vakanties naar huis gingen. Aan de colleges waren nu studentengilden verbonden voor de internen: de collegebonden die tijdens het schooljaar een werking onderhielden. Tijdens de vakantie konden de scholieren in hun dorp of in een buurdorp terecht voor de plaatselijke studentengilde: deze hadden enkel in de vakantie een werking: men noemde ze dus vakantiebonden. Dit onderscheid bleef ook in de latere KSA verder bestaan.
Na de Tweede Wereldoorlog ging het belang meer op de vakantiebonden liggen: ze vormden zich om tot parochiebonden, die nu ook een wekelijkse werking ontplooiden. Tegenwoordig zijn zulke parochiebonden duidelijk in de meerderheid in KSJ-KSA-VKSJ.
Na de oorlog trokken de bewegingen zich terug op zichzelf. De KSA en de VKSJ creëerden een specifiek gelaat. Meer dan ooit werd de nadruk gelegd op een eigen stijl en een eigen identiteit. De vermenging van stijl en jeugdbewegingsactiviteiten bracht de bewegingen op het pad van de modelorganisatie. Toch bleven KSA en VKSJ in deze periode sterk kerkelijk en Vlaams geëngageerd.
In de jaren 1960 en 1970 ontstond een grotere betrokkenheid op de eigen omgeving en de wereld. De bewegingen ondergingen de invloed van de groeiende internationalisering (o.a. dekolonisatie en Europese Gemeenschap), de vernieuwingen in de Kerk (het Tweede Vaticaans Concilie) en het studentenprotest in 1968. Vanaf dan kwam het verlangen naar meer maatschappelijk engagement in een ware stroomversnelling terecht. De maatschappij werd kritisch doorgelicht. De katholieke Vlaamse studentenbeweging heeft deze belangrijke erfenis nagelaten voor de latere jeugdbeweging: een traditie van jeugdige bezieling gericht op inzet in de bredere maatschappij.
Vele traditionele waarden, normen en gebruiken werden van dan af in vraag gesteld. Opvallend is de kritiek op het uniform. Veel plaatselijke groepen werden losser en sommigen schaften het uniform zelfs af. Nationaal koos men voor een frisser uniform om aan deze mentaliteitswijziging te beantwoorden. Toch bleven sommige groepen - soms tot op de dag van vandaag - vasthouden aan het traditionele uniform. Op sommige plaatsen werd er dan weer voor geopteerd alleen verder te werken met +16-groepen, omdat alleen met hen echt aan studie en actie gedaan kon worden. Andere groepen braken met de door de nationale beweging uitgezette paden en gingen hun eigen weg.
In deze periode ontstond ook een sterke beweging naar gemengde werkingen. Zo groeide ook de samenwerking tussen beide bewegingen en kon de beweging in 1978 nationaal één worden: KSA-VKSJ. De structuur van de gemengde beweging werd heel sterk geënt op de KSA-structuren. In verscheidene groepen werd de naam KSJ ingevoerd: Katholieke Studerende Jeugd.
In de jaren '70 en '80 zocht de beweging naar een nieuwe pedagogiek die aansluit bij alsmaar jongere leden. Al vanaf het begin van de jaren '60 hadden enkele bonden een werking voor min 9-jarigen uitgebouwd. Nationaal was echter nog altijd gekant tegen min 9-jarige leden. Maar plaatselijk kenden deze werkingen wel veel succes en onder druk van de basis werden min 9-jarigen uiteindelijk officieel erkend.
Het activiteitenaanbod moet ondertussen optornen tegen een overvloed aan nieuwe ontspanningsmogelijkheden. De genadeloze maatschappijkritiek wordt omgebogen naar het bevragen van de samenleving. Voortaan wordt er minder gepraat en gediscussieerd, maar vooral meer gespeeld als middel tot opvoeding.
Begin jaren '90 maakt de beweging werk van het opsporen van haar basispijlers. Dit weerspiegelt zich in de visietekst.
Momenteel heeft elke provinciale werkkring nog altijd zijn eigen financieel en pedagogisch beleid, zijn eigen middelen, zijn eigen wettelijke structuur (vzw). Daarnaast bestaat de nationale werking met haar pedagogische en financiële werking, die meer is dan alleen aanvullend op de werkkringen. Inhoudelijk wordt ook gewerkt aan een duidelijke profilering van onze beweging; in het werkjaar 1992-1993 werd in de beweging zelf werk gemaakt van het opsporen van de pijlers van KSJ-KSA-VKSJ. Dit werk weerspiegelt zich in de visietekst. Deze tekst is bedoeld als leidraad voor het beleid van de nationale beweging en haar vrijwilligers, als spiegel voor de plaatselijke groepen en als visitekaartje voor de buitenwereld.
De laatste jaren heeft KSJ-KSA-VKSJ zich actief geëngageerd om haar leden te sensibiliseren over thematieken als multiculturaliteit en kansarmoede. Ook op het vlak van Noord-Zuid werd een duidelijk standpunt ingenomen door de deelname aan Worldshake en de organisatie van een inleefreis naar Zuid-Afrika.
In januari 2001 publiceerde KSJ-KSA-VKSJ haar Open Brief aan Kerk en Maatschappij. Die kon op veel weerklank rekenen in de pers. Hierin gaf de beweging blijk van haar engagement om actief te blijven binnen de kerkgemeenschap, maar aarzelde ze ook niet om kritische bemerkingen bij kerkelijke standpunten te formuleren.
KSJ-KSA-VKSJ is ook een trendzetter in mens- en milieuvriendelijke producten (schoolset, ringmap, sleutelhanger,…) en schone kleren, waar de recente lancering van een eerlijk geproduceerde en milieuvriendelijke fleece-trui blijk van geeft.
KSJ-KSA-VKSJ is tegenwoordig met 35.000 leden actief in meer dan 300 plaatselijke groepen, een aantal gewesten, zes provinciale werkkringen en één nationale beweging.
Ontleend aan KSJ.org
alle info over het gewest Scheldeland kan je vinden op http://jeugd.studiant.be/scheldeland/
KSA Schoten is een jeugdbeweging voor jongens vanaf 6 jaar. Wij houden elke zaterdag van 14u tot 17u vergadering. Ons lokaal bevindt zich in de Sparrenlaan 63 te Schoten.


